penningen

plaquettes

standbeelden

borstbeelden

tekeningen

dierplastieken

decoraties

keramiek

monumenten

publicaties

fotoalbum

overig
keramiek:

liggend hertje

plateau HVA

Heldring & Pierson

beer

duikend eendje

staand eendje

woudaapje

foxterrier

galopperend paard

frivool stelletje

hazewindhond

torenvalk

rustende eend

angorakat

vrouwelijk naakt

pad

uiltjes

egel 1

egel 2

kinderkopje

Peter Holland

 

manco

duikeenden
Onderwerp Duikend eendje
Jaar 1926 of eerder
Gesigneerd Het monogram is heel vaag zichtbaar op de linker kant van de achterzijde van het sokkeltje. Als je niet weet dat het een monogram zou kunnen zijn, is het onherkenbaar.
Materiaal Keramiek
Volgens Goedewaagen-onderzoeker Bert-Jan Baas is het een uraniumoxide-glazuur uit het begin van de jaren dertig.
Afmetingen lbh: 15,6 x 7 x 9,9 cm
Aanwezigheid particuliere verzameling
Bijzonderheden

Bijzonderheden Het eendje is er een uit een serie van drie gemaakt bij Goedewaagen, Gouda. Op de onderzijde is een stempeltje met de gekroonde dubbele G. Ook staat er een 11 op de onderkant. De betekenis daarvan ontgaat me, het zou misschien een oplage nummer kunnen zijn.
Zie voor meer details bij "staand eendje".
De eendjes zijn regelmatig tentoongesteld vanaf 1926 tot in 1929 aan toe.

Het rode beeld is gemaakt in een stijl die ook wel "crisis-aardewerk" wordt genoemd. De naam behoeft enige toelichting want die slaat noch op het aardewerk noch op de glazuur, maar op de economische situatie van toen. Uit de correspondentie met Friggo Visser, conservator van het Keramisch Museum Goedewaagen, Nieuw-Buinen daarom het volgende:
Die term dankt zijn bestaan vooral aan de beschrijvingen van het experimentele kunstaardewerk dat rond 1930 voorzien werd van stroom-, sprits- en spuitglazuren en dus niet van handgepenseelde decoraties. Wout Hoyng, zoon van PZH-directeur Willy Hoyng en zelf na de oorlog onderdirecteur, verdedigde, geïnterviewd in 1990-1991 door de Leidse kunsthistorica Sophia Chlimintzas, de stelling dat er zonder de grote aardewerkstaking van 1928-29 en de daarna uitgebroken wereldcrisis nooit dergelijk crisis-aardewerk gemaakt zou zijn. In een reeks van viif opeenvolgende tentoonstellingen van 2003 tot en met 2005 in Nieuw Buinen over dit soort keramiek van allerlei Goudse fabrieken en van fabrieken die elders in Nederland in de Goudse stijl werkten, hebben wij vastgesteld, dat voor het uitbreken van de staking in het najaar van 1928 al op grote schaal met dergelijke kunstglazuren gewerkt werd en dat zij ook op toonaangevende exposities te zien waren. Tegenover Hoyngs opmerking dat het goedkope decoraties waren, omdat geen dure plateelschilders nodig waren, hebben wij de constatering kunnen zetten dat de prijzen van het steeds anders gedecoreerde kunstaardewerk - het werd, stelden wij vast, als unica ingekocht door Nederlandse kunsthandels en lijstenmakerijen - zelf gelijk of hoger waren dan die van plateel. Wat we in feite constateerden, was dat de keramische kunst na 1926 in de ban raakte van een nieuwe rage. Na de knalbonte, hand geschilderde Art Déco-decors kwamen nu kunstglazuren die, anders dan de Berbas-glazuren van de Porceleyne Fles van rond 1900, een sterk natuurgebonden palet kregen: je ziet veel vlammend rood-oranje (op basis van uraniumoxide of Pechblende, lees vuur), celadon goenblauw (lees water), bruin (lees aarde) en fel blauw (lees hemel), kortom de vier elementen. In nr. 190 van de jaargang 2005 van vormen van Vuur en in het Gouda Pottery Book worden deze nieuwe bevindingen gerapporteerd. Het enige Goudse aardewerk dat de omschrijving van goedkoop crisis-aardewerk verdient, is de met celluloselak naar voorbeeld van de kunstglazuren gedecoreerde aardewerkproductie - het zogenaamde 'koudlak'- in het begin van de jaren 30 met 1934 als dramatisch dieptepunt - in 1934 was de crisis in Nederland ook het ergst. Het eendje van Gra Rueb is helemaal conform de nieuwe mode in 1931-32 gedecoreerd.

Omdat de serie uit drie eendjes bestaat, ga ik ervan uit dat zij alle drie volgens de nieuwe mode geglazuurd zijn, alhoewel de beeldjes niet als serie werd verkocht maar los. De opdrachten aan Goedewaagen werden echter wel gebundeld en daarna uitgevoerd. Het is dus beter om niet te spreken over een serie eendjes maar over een serie opdrachten. Het staande eendje is met de hand gekleurd door plateelschilders en het duikende eendje in de nieuwe mode geglazuurd. Dat zou de mogelijkheid openhouden dat het staande eendje ook in de nieuwe mode geglazuurd moet bestaan en het duikende eendje door plateelschilders ingekleurd moet zijn geweest.

Het glazuur speelt dus een grote rol. Uit de correspondentie met Bert-Jan Baas daarom een stukje dat gaat over het glazuur:
Uranium werd als kleurstof al gebruikt bij het Gouds plateel van Goedewaagen, daarin zitten bruin-groene kleuren (treklijnen) die voor ca. 20% uit uraniumoxide kunnen bestaan. Goedewaagen had dit materiaal omstreeks 1925 dus al in huis. Maar, ik ken geen enkel stuk uit de jaren twintig waarbij het uranium is toegepast in een ander type glazuur dan de plateelverven. Ook is mij uit het laboratoriumarchief bekend dat het uraniumoxide in de plateelverven zuiver uraniumoxide was, dus nog zonder toevoegingen die het tot een bruikbare verf maken, die stap werd bij Goedewaagen op het laboratorium gedaan. Bij de vuurrode glazuren die je vanaf zeg 1931-32 ziet is er iets anders aan de hand, bij Goedewaagen heette dit glazuur 'tomaat'. Dit glazuur is ook in het laboratoriumarchief terug te vinden en het blijkt dat het hier om een kant-en-klaar aangekocht glazuur gaat van de firma Froehlich. Het bevat wel degelijk een hoog gehalte uranium maar het werd bij Goedewaagen dus niet zelf samengesteld gebruikmakend van het uraniumoxide dat in de plateelverven ging. Je hebt dus enerzijds de vroegere plateelverven op basis van zuiver uraniumoxide en anderzijds vanaf begin jaren dertig de rode 'tomaat' glazuren op basis van een kant-en-klaar aangekocht uraniumhoudend glazuur.
Het glazuur op het eendje behoort mijns inziens tot de 'tomaat'-groep.

 

Over het witte eendje het volgende uit een emailwisseling met Friggo Visser: Dat de ontwerpen uit de late jaren 20 bij Goedewaagen in het volgende decennium ook met veelkleurige, zo je wilt realistischer kunstglazuren gedecoreerd zijn, moet gezien worden als een antwoord op internationale trends. Nog voor de matwitte en glanswitte edities die populair werden na de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1925, zag je natuurlijk eerst, zie in Nederland Rozenburg en HAGA, zorgvuldig handbeschilderde beeldenedities; de kunstglazuren werden spritsend, spuitend en misschien ook wel dompelend aangebracht. Bij Goedewaagen wordt op die trend vanaf 1931 ingehaakt. Het eendje waarvan jij nu een voorbeeld toestuurt, moet ook vroeg in de jaren 30 gedateerd worden. Het moet een goede tijd voor eendjes geweest zijn, Eta Lempke scoorde er mee bij de PZH.

 

 

naar boven